geschiedenis

Manipuleer de geschiedenis van een of meer geselecteerde afbeeldingen.

🔗module instellingen

selectief kopiëren…
Kopieer delen van de bewerkingsstappen van de geselecteerde afbeelding. Er verschijnt een dialoogvenster waaruit je de items kunt kiezen die je van de geschiedenis wilt kopiëren. Als er meer dan één afbeelding is geselecteerd, wordt de geschiedenis overgenomen van de afbeelding die als eerste is geselecteerd. Dubbelklik op een geschiedenisitem om alleen dat item te kopiëren en sluit daarna het dialoogvenster.
kopiëren
Kopieer de volledige geschiedenis van de geselecteerde afbeelding. Als er meer dan één afbeelding is geselecteerd, wordt de geschiedenis overgenomen van de afbeelding die als eerste is geselecteerd.

Informatie met betrekking tot interne weergavecodering en maskerbeheer wordt als onveilig beschouwd om automatisch naar andere afbeeldingen te kopiëren en zal daarom niet worden gekopieerd bij gebruik van deze knop.

De volgende modules zijn uitgesloten van de bewerking kopiëren:

  • verouderde modules

Je kan al deze uitsluitingen overschrijven door “selectief plakken…” te gebruiken en te kiezen welke modules je in de doelafbeelding(en) wilt plakken.

comprimeer geschiedenis
de geschiedenis van de geselecteerde afbeelding comprimeren. Als een module meerdere keren in de geschiedenis voorkomt, worden deze gebeurtenissen gecomprimeerd in een enkele stap in de geschiedenis. Pas op: deze actie kan niet ongedaan worden gemaakt!
geschiedenis verwijderen
Fysiek de geschiedenis van de geselecteerde afbeeldingen verwijderen. _ Let op: deze actie kan niet ongedaan worden gemaakt!_
selectieve plakken
plak delen van een gekopieerde geschiedenis op alle geselecteerde afbeeldingen. Er verschijnt een dialoogvenster waaruit je de items kunt kiezen die je wilt plakken uit de brongeschiedenis.
Plakken
plak alle items van een gekopieerde geschiedenis op alle geselecteerde afbeeldingen.
modus
deze instelling definieert hoe de plakacties zich gedragen wanneer ze worden toegepast op een afbeelding die al een geschiedenis heeft. In eenvoudige bewoordingen verwijdert de modus “overschrijven” de vorige geschiedenis voordat deze wordt geplakt, terwijl “toevoegen” de twee geschiedenissen samenvoegt.

Een gekopieerde geschiedenis kan meerdere items van dezelfde module hebben (met dezelfde naam of verschillende namen) en plakken gedraagt zich anders voor deze items in de toevoeg- en overschrijfmodus.

In de toevoegen-modus, voor elke module in de gekopieerde geschiedenis, als er een module in de doelafbeelding is met dezelfde naam, wordt deze vervangen. Als er geen dergelijke module is, wordt een nieuwe instantie gemaakt. In beide gevallen wordt de geplakte instantie bovenop de geschiedenis geplaatst. Als een bepaalde module meerdere keren in een van beide geschiedenissen voorkomt, wordt alleen het laatste exemplaar van die module verwerkt.

In de overschrijven-modus is het gedrag hetzelfde, behalve dat de geschiedenis van de doelafbeelding wordt verwijderd voordat de plakbewerking begint. De acties “Alles kopiëren”/“Alles plakken” in deze modus zal de gekopieerde geschiedenis nauwkeurig dupliceren naar de doelafbeeldingen (inclusief eventuele dubbele exemplaren).


Opmerkingen:
  • Automatische module-voorinstellingen worden alleen aan een afbeelding toegevoegd wanneer deze voor het eerst wordt geopend in “ontwikkelen” of als de geschiedenis wordt weggegooid. Als je de modus overschrijven gebruikt om geschiedenisitems in afbeeldingen te plakken die nog niet eerder in ontwikkelen zijn geopend, worden de volgende keer dat de afbeelding in ontwikkelen wordt geopend, automatische voorinstellingen op de afbeelding toegepast. Het kan daarom lijken alsof de “overschrijf”-modus de bestaande geschiedenis niet nauwkeurig dupliceert, maar in dit geval zijn die automatische modules later toegevoegd.
  • Met de toevoegen-modus kan je jouw reeds bestaande geschiedenis later reconstrueren (omdat eerdere geschiedenisitems worden bewaard in de geschiedenis van de doelafbeelding). In de modus “overschrijven” gaan echter alle eerdere bewerkingen onherroepelijk verloren.
  • De modus instelling blijft behouden als je darktable afsluit – als je het verandert voor een eenmalig kopiëren en plakken, zorg er dan voor dat je het weer terug verandert.

laad xmp bestand (sidecar-bestand)
een dialoogvenster openen waarmee je de geschiedenis uit een geselecteerd XMP-bestand kan importeren. Deze gekopieerde geschiedenis kan vervolgens op een of meer afbeeldingen worden geplakt. Het XMP bestand is een apart bestand waarin alle bewerkingen worden opgeslagen die op het bronbestand zullen worden toegepast.

Afbeeldingen die door darktable zijn geëxporteerd, bevatten doorgaans de volledige geschiedenis als het bestandsformaat ingesloten metadata ondersteunt (zie de module export voor details over deze functie en de beperkingen ervan). Je kan een geëxporteerde afbeelding als een sidecar-bestand laden op dezelfde manier als met een XMP-bestand. Met deze functie kan je alle parameterinstellingen herstellen als je het XMP-bestand per ongeluk bent kwijtgeraakt of overschreven. Het enige dat je nodig hebt, is de bronafbeelding, meestal een onbewerkt bestand, en het geëxporteerde bestand.

schrijf sidecar-bestanden
schrijf XMP sidecar-bestanden voor alle geselecteerde afbeeldingen. De bestandsnaam wordt gegenereerd door “.xmp” toe te voegen aan de naam van het onderliggende invoerbestand.

Darktable genereert standaard automatisch sidecar-bestanden en werkt deze bij wanneer je aan een afbeelding werkt en de geschiedenis wijzigt. Je kan het automatisch genereren van secundaire bestanden uitschakelen in voorkeuren > opslag. Dit kan handig zijn als je meerdere versies van darktable gebruikt (zodat bewerkingen in elke versie niet met elkaar in conflict komen), maar over het algemeen wordt het uitschakelen van deze functie niet aanbevolen.

translations